DE MIDDELEEUWEN OLDAMBT EN DE CLEYNE HORTUS

Dagelijks leven

hernieuwd centraal gezag

Tijdens de hoogtijdagen in de Vroege Middeleeuwen van het Frankische rijk kon men volledig de vruchten plukken van een goed draaiend feodaal systeem. Het betreft de periode waarin koning, later keizer Karel de Grote aan de macht was. Er waren duizenden leenmannen die trouw hadden gezworen aan de koning en de grenzen van het rijk verdedigden in ruil voor land van de koning, de leengoederen. Kort na de hoogtijdagen van het vroeg middeleeuwse Frankische rijk begon omstreeks 830 de macht van het centraal gezag af te brokkelen. Na de dood van keizer Karel de Grote werd het rijk verdeeld onder enkele zoons. Deze vorsten konden niet in de schaduw staan van Karel de Grote en waren niet in staat sterk centraal gezag te vestigen. In deze situatie zagen leenmannen kans om hun eigen macht te vergroten. Men nam als het ware het leengebied in eigendom en creëerde zelf erfopvolging. Leenhulde aan de vorst volstond in het vervolg.

Door het gebrek aan sterk centraal gezag begonnen leenmannen grote delen van hun eigen leengebieden in achterleen te geven aan hun eigen vazallen. Hun eigen vazallen werden hun leenmannen, die op hun beurt achterleenmannen werden van de hoogste heersende koning. Daarmee stond de weg open tot de vorming van eigen legers. De gevolgen laten zich raden. Het feodale systeem kon op dat moment niet meer bieden waarvoor het was ontwikkeld: bescherming en rust. Onzes inziens ontstonden in de laatste periode van de Vroege Middeleeuwen de grootste maatschappelijke problemen door de geschetste nieuwe machtsontwikkelingen binnen het bestaande feodale systeem en niet alleen door de invallende en plunderende Noormannen die omstreeks die periode ook huishielden in West Europa.

















Iedereen die eigen (leen)macht had wenste deze macht uit te breiden. Er ontstonden tussen de verschillende leenmannen onderling en ook met heersende vorsten schermutselingen en soms zelfs complete oorlogen. Maar de dreiging die uitging van de invallende Noormannen dient bij alles niet te worden onderschat. Zij zochten de nieuw ontstane rijkdommen in gebieden, die niet in staat bleken eendrachtig op te trekken tegen deze Noormannen. Regelmatig plunderden ze de handelsnederzettingen, steden, abdijsteden, kloosters en abdijen. Hier was veel rijkdom verzameld. Met name de kustgebieden van West Europa kregen het te verduren. In eerste instantie verschenen deze invallers al in de 8ste eeuw aan de horizon van de zee, in een tijd waarin een sterk Frankisch leger hun opmars nog kon tegenhouden. In de loop van de 9e eeuw verschenen ze in grotere getale, niet gehinderd door een sterk Frankisch leger. West Europa lag aldus ten prooi aan een sterk ontwrichtende interne verdeling, maar had daarbij ook grote overlast van invallende Noormannen.

Niet alleen in het wereldlijke leven was moreel verval ingetreden, dat gold ook voor het geestelijk leven in onder andere benedictijnenkloosters. Kort gezegd: het wereldlijke leven had zich teveel gemengd met het geestelijke leven. Men zag daarbij de christelijke boodschap niet meer als een belangrijke gemeenschappelijk waarde en morele achteruitgang was daarvan het gevolg. Sommige kloosters werden zelfs gebruikt als een residentie voor de gehele familie van de edele die tot abt was benoemd. De gevolgen laten zich ook hier raden. Ondanks of dankzij de geschetste maatschappelijke wanorde in West Europa waren er ook bijzondere en belangrijke ontwikkelingen, die het mogelijk maakten dat de samenleving in West Europa kon gaan stabiliseren, hoe versnipperd deze ook was geworden tot desintegratie aan toe. Onder andere ontstond de nieuwe kloosterorde van Cluny, waardoor een geloofsreveil kon ontstaan en ook de introductie van de Godsvrede had sterke stabiliserende werkingen.

















De stichting van de Orde van Cluny omstreeks 910 bracht de neergang tot staan, waarna langzaam en gestaag een stabielere maatschappij zich kon gaan ontwikkelen. Willem I van Aquitanië zorgde namelijk voor een heel bijzondere stichtingsakte. De abten van het nieuwe klooster dienden namelijk gekozen te worden uit het eigen midden en mochten niet aangesteld worden door welke edele hoogwaardigheidsbekleder dan ook. Door de verandering in de benoemingen kon er een belangrijk geloofsreveil ontstaan. De orde stond namelijk los van de feodale gezagsdragers en in zekere zin ook van de christelijke kerk. In toenemende mate sloten bestaande kloosters zich aan bij de nieuwe orde. Er ontstonden ook vele nieuwe kloostervestigingen. Op enig moment waren er honderden en honderden kloosters verbonden aan de orde. Het geloofsreveil was onomkeerbaar. Het geloof werd weer teruggebracht in de samenleving en hierdoor vond op grote schaal normherstel plaats. De zogenoemde Godsvrede, die ontstond vanuit deze kloosterorde, gaf daarbij een stevig fundament, waarop de samenleving zich verder kon ontwikkelen. Het was een serieuze en ook doeltreffende manier om de maatschappelijke orde te herstellen.

Tijdens bepaalde perioden van het jaar, zoals bijvoorbeeld gedurende de Advent en de Vasten, mochten er géén krijgshandelingen meer worden verricht. De leenman, die het boekje te buiten ging en have en goed van anderen innam, het leven van de landmensen en geestelijken onmogelijk maakte of gevechtshandelingen verrichtte op momenten dat deze waren verboden, kon door de christelijke kerk worden geëxcommuniceerd. Dat had grote gevolgen voor een ‘edele’ krijgsheer, want hierdoor kwamen de eigen onderdanen in opstand. Zij hadden dan namelijk geen toegang meer tot de christelijke kerk en de Heilige Sacramenten, waardoor op het leengoed het geloof niet kon worden uitgeoefend. Voor een onwillige leenman bleven de poorten van de hemel gesloten. Het was deze leenman die door de excommunicatie volledig uit de maatschappelijke orde werd gestoten.

Als een feodale heer ondanks de Godsvrede en tegen al de afspraken in het een en ander ondernam, dan konden er ook straffen worden opgelegd. Voorbeelden daarvan zijn het verplicht meebetalen aan de bouw van een kathedraal of een gasthuis langs verschillende pelgrimswegen, het verplicht beschermen van pelgrims of het verplicht ondernemen van een pelgrimstocht. Het zorgde voor een aanmerkelijke opleving van pelgrimages naar het bedevaartoord Santiago de Compostella. Langs diverse routes ernaartoe werden vele nieuwe kerken, gasthuizen en kloosters gebouwd.

Met voorgaande beschrijvingen wordt duidelijk dat men in West Europa, aan de vooravond van de Hoge Middeleeuwen, het nodige al had ondernomen om de samenleving te harmoniseren. Via de Godsvrede werd met zoveel woorden een nieuw soort centraal overwicht ontwikkeld. Hierdoor verbeterden ook voor de heersende vorsten de omstandigheden. Zij werden weer in staat om voldoende politieke en maatschappelijke invloed op te bouwen in het wereldlijke leven. Zodanig dat het feodale systeem weer enigszins kon gaan bieden waarvoor het bedoeld was: bescherming en rust. Een en ander liep samen met een sterke weersverbetering én met de kennismaking van West Europa met de hoogstaande Arabische cultuur via de kruistochten die ontstonden vanaf omstreeks 1100. Het leidde tot een ongekende maatschappelijke opleving in West Europa.















Een van de belangrijkere veranderingen deed zich voor op cultureel gebied. Het betrof het ontstaan van het goede edele gedrag. Een en ander werd verbonden met zelfbeheersing, matiging en welsprekendheid. De onderlinge concurrentie tussen de leenmannen verplaatste zich voor een groot deel naar ‘spreekgevechten’. En hoe loste de leenmannen hun resterende onderlinge agressie op? Door met elkaar gestructureerd te gaan vechten. Het fenomeen van het toernooi deed zijn intrede. Eerst was dat nog behoorlijk ruw en ongecontroleerd. Gaandeweg de Late Middeleeuwen werden er echter in toenemende mate regels in het leven geroepen om de gevechten in goede banen te leiden, met als resultaat veel decorum, feestbanketten en af en toe nog een ongeluk.


Bovenstaande tekst vindt haar basis in onder andere de boeken hofsteden en tijdgeest in de middeleeuwen, het vierde en zevende boek uit de twaalfdelige serie vore ene maeltijt met smakelijcheit. Deze serie wordt door ons in 2024/2025 uitgegeven. Zie voor verdere informatie het hoofdstuk BOEKEN van deze website.


AFBEELDINGEN

1. Soldaten plunderen een stad, miniatuur uit De civitate Dei, de boeken 1 – 10, Augustinus, manuscript van omstreeks 1480, graafschap Vlaanderen
British Library

2. Benedictijnenmonniken voor de abdij van Citeaux (de kerk is een afspiegeling van de St. Servaas in de stad Maastricht), Kroniek van de oude koningen en hertogen van Bourgondië, manuscript van omstreeks 1485, graafschap Vlaanderen
British Library

3. Een toernooi, de vierde kroniek, eerste deel van Jean Froissart van omstreeks 1470, graafschap Vlaanderen
British Library